Het pensioenreglement van Stena Line voor het kantoorpersoneel luidt: ‘Het pensioengevend salaris is twaalfmaal het maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag en de overeengekomen vaste uitkeringen.’ In een procedure tussen Stena Line en één van haar werknemers wordt geoordeeld dat de onregelmatigheidstoeslag onderdeel is van de overeengekomen vaste uitkeringen en daardoor ook onderdeel is van het pensioengevend salaris. Stena Line is het daar niet mee eens en om te voorkomen dat dit haar veel geld gaat kosten, wil ze het pensioenreglement wijzigen: ‘het pensioengevend salaris bestaat uit twaalfmaal het maandsalaris, verhoogd met de vakantietoeslag’. De or stemt hier niet mee in. Stena Line vraagt daarop de kantonrechter vervangende toestemming te geven om het besluit alsnog te kunnen nemen. De kantonrechter geeft dat niet, maar het hof in hoger beroep wel. De or is het op zijn beurt niet eens met het hof en vraagt de Hoge Raad een doorslaggevend oordeel te geven.
Oordeel Hoge Raad
Op de vraag of de or instemmingsrecht heeft bij deze wijziging van het pensioenreglement. geeft de Hoge Raad eenvoudig aan dat artikel 27 lid 1 sub a WOR bepaalt dat het besluit tot (onder andere) wijziging van een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering instemming van de or behoeft. Op de vraag op welke gronden een rechter vervangende toestemming kan geven geeft de Hoge Raad aan dat alle argumenten van zowel or als ondernemer moeten worden bekeken. Omdat het hof alleen de argumenten van Stena Line in zijn oordeel heeft betrokken moet het hof opnieuw een beslissing nemen.
Commentaar
Uitgangspunt is dat primaire arbeidsvoorwaarden buiten het domein van de or vallen. Maar welke arbeidsvoorwaarden zijn nu eigenlijk primair? Pensioen wordt door velen gezien als één van de belangrijkste arbeidsvoorwaarden. Vanuit die optiek is het verdedigbaar dat pensioen een primaire arbeidsvoorwaarde zou kunnen zijn. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 27 lid 1 sub a WOR blijkt echter dat pensioen als secundaire arbeidsvoorwaarde gezien moet worden. Omdat de wetgever dit standpunt nog altijd benadrukt en ook de rechtspraak en maatschappij geen andere richting geven, geldt nog steeds dat een or instemmingsrecht heeft bij (onder andere) wijziging van een regeling aangaande een pensioenverzekering.
Tot slot: doet zich een situatie voor waarbij de or geen instemming verleent en de ondernemer een rechter verzoekt vervangende toestemming te geven, let dan goed op de toets van de rechter. Stelt de rechter dat het onredelijk is dat een or geen instemming heeft verleend en zich aldus baseert op de eerste grond van artikel 27 lid 4 WOR, dan moet dit oordeel voorafgegaan worden door de weging van alle argumenten van zowel de or als de ondernemer. Laat de rechter dat na, dan is hij niet via de juiste weg tot zijn oordeel gekomen en kan de or beroep instellen.
Hoge Raad 24 januari 2014
Auteur: Inge Hofstee, partner bij Boontje Advocaten te Amsterdam
TIP
Meer interessante en relevante jurisprudentie vind je in Rechtspraak voor Medezeggenschap.












