Feiten
Een werknemer is benoemd tot voorzitter van de ondernemingsraad van VZA; zijn termijn eindigt in mei 2012. Per april 2011 gaat hij met de vut. Dat mag alleen als hij al zijn openstaande verlofuren opneemt voor die datum. Het gevolg is dat werknemer vanaf 24 januari 2010 met verlof is. VZA stelt zich op het standpunt dat de werknemer daardoor ook geen voorzitter van de ondernemingsraad meer kan zijn. De OR betwist dit standpunt en wil dat de bestuurder de werknemer toestaat zijn werk als OR-voorzitter te blijven doen.
De kantonrechter
Artikel 12 lid 3 WOR bepaalt dat als een OR-lid niet meer in de onderneming werkt, zijn OR-lidmaatschap eindigt. Het geschil draait dus om de vraag wat onder ‘werkzaam in de onderneming’ moet worden verstaan. In artikel 1 lid 2 WOR staat een definitie van dat begrip: iemand is in de onderneming werkzaam als hij volgens een met de ondernemer gesloten arbeidsovereenkomst (of publiekrechtelijke aanstelling) bij een organisatie werkt. Deze definitie kent twee criteria, namelijk een juridische en een feitelijke.
De OR-voorzitter heeft een arbeidsovereenkomst tot 13 april 2011, dus aan het juridische criterium wordt voldaan. Het komt dus aan op het feitelijke criterium. Bij betrekkelijk korte onderbrekingen, zoals ziekte, zwangerschap of verlof, werkt iemand volgens het feitelijke criterium in de onderneming. Omdat arbeidsongeschiktheid twee jaar kan duren, neemt de kantonrechter die termijn als maximale uitgangspunt voor wat onder ‘korte onderbreking’ kan worden verstaan. Zo lang duurt het verlof van deze werknemer niet, dus de werknemer is feitelijk nog wel werkzaam in de onderneming.
Bijzonder in dit geval is dat de werknemer niet meer aan het werk zal gaan omdat hij vervroegd uittreedt.
De kantonrechter vindt dat niet van belang. De medezeggenschapsrechten behoren tot de fundamentele rechten van werknemers en die kunnen niet zomaar worden ingeperkt. De ondernemingsraad krijgt gelijk, de voorzitter
mag blijven tot zijn contract afloopt.
Commentaar
Dit is een vrij opmerkelijke uitspraak. Het staat immers vast dat werknemer niet meer aan het werk is in de organisatie en ook niet meer zal gaan. Er is dus helemaal geen sprake van een onderbreking van het dienstverband, maar van een beëindiging. Natuurlijk zijn medezeggenschapsrechten fundamentele rechten van werknemers, maar het is ook belangrijk dat de OR bestaat uit mensen die echt bij de onderneming werken, simpelweg omdat ze de werknemers vertegenwoordigen. Als hij niet (meer) aan het werk is, houdt de voorzitter van de ondernemingsraad geen ‘feeling’ met wat er in de organisatie speelt.












