Het feministisch tijdschrift Opzij liet samen met Margriet een onderzoek uitvoeren onder 1000 Nederlandse vrouwen. Wat bleek? Vrouwen vinden het krijgen van kinderen minder belangrijk dan een tijd geleden. Ze hebben geen zin in een zware baan en het maakt hen kennelijk niet uit dat ze niet aan economische zelfstandigheid toekomen. Inmiddels ligt de arbeidsparticipatie in Nederland wel op 65% en daarmee boven het Europees gemiddelde, maar het aantal gewerkte uren ligt veel lager. De Nederlandse vrouw werkt graag in kleine deeltijdbanen.
De taakverdeling tussen man en vrouw is in Nederland veel zwaarder aangezet dan in de rest van Europa. Dit kerngezin kon ontstaan omdat in de 19e eeuw dankzij de verzorgingsstaat en het kostwinnersprincipe vrouwen thuis konden blijven om voor de kinderen te zorgen. Nu hebben we te maken met de wet van de remmende voorsprong. Het denken over arbeidsparticipatie in zowel de samenleving als de politiek is niet eenduidig, waardoor er geen sprake is van een heldere probleemformulering. En dus ook niet van een eenduidige oplossingsgerichtheid. Het gevoerde emancipatiebeleid in de vorige kabinetsperiode was daardoor ook verre van consistent. Eigenlijk was er sprake van een afbraak van emancipatiebeleid. De Wet kinderopvang werkte averechts en de levensloopregeling pakt grofweg negatief uit op het emancipatoire effect. Het huidige emancipatiebeleid wordt iets voortvarender ter hand genomen. De vrouwen zijn ontdekt, omdat de vergrijzing voor de deur staat en de arbeidsmarkt roept.
De problemen die een rol spelen bij de arbeidsparticipatie van de vrouw hebben onder andere te maken met de ontstaansgeschiedenis van de sociale wetgeving in Nederland. Het kostwinnersprincipe is erg dominant geweest in Nederland. De typisch Nederlandse relatie tussen sekse en burgerschap is terug te voeren op de geschiedenis van de zuilen en de wetgeving rondom de welvaartstaat. Verzuiling speelde een rol in de bescherming van de verschillende religieuze gezindten tegen de negatieve effecten van de markt. Dit pluralisme sloeg vrouwenorganisaties argumenten uit handen om maatregelen die ongunstig waren voor vrouwen op de arbeidsmarkt, tegen te gaan. Mede hierdoor is Nederland op achterstand gezet als het om arbeidsparticipatie van vrouwen gaat.
Werkende vrouwen, maar ook mannen, hebben te maken met talloze obstakels als ze willen werken, zoals slechte kinderopvangvoorzieningen, onvoldoende flexibiliteit van werkgevers, inflexibiliteit van scholen, geen eenduidige probleemstelling door de politiek. In relatie tot de vergrijzingproblematiek is het wenselijk dat vrouwen een grotere rol op de arbeidsmarkt gaan spelen. Verder is het van belang dat de cultuur in de instelling dat mannen niet in deeltijd kunnen werken doorbroken wordt.












